ICSI



ICSI

ICSI is een vorm van kunstmatige bevruchting en kan een uitkomst bieden als je er niet in slaagt zwanger te worden. ICSI staat voor Intracytoplasmatische Sperma Injectie. Het houdt in dat een zaadcel direct ingespoten wordt in de eicel, dwars door het sterke omhulsel van de eicel. Om een ICSI behandeling te laten slagen is ook een IVF behandeling noodzakelijk. ICSI is dus eigenlijk een extra techniek bovenop de IVF behandeling. De behandeling is arbeidsintensief en dient door een expert plaats te vinden.

Wanneer kom je in aanmerking?
In aanmerking voor ICSI komen paren bij wie bevruchting niet of vrijwel niet mogelijk is. De volgende categorieën kunnen worden onderscheiden:

1. Mannen van wie het zaad te slecht is voor reguliere IVF. Als bij herhaling na opwerken te weinig zaadcellen overblijven voor IVF werden deze paren afgewezen. In het verleden werd algemeen aangehouden dat IVF uitsluitend werd uitgevoerd als ten minste één miljoen motiele zaadcellen aanwezig waren. De afgewezen paren zijn bij uitstek geschikt voor ICSI

2. Paren bij wie bij herhaling geen enkele eicel is bevrucht (Total Fertilisation Failure, TFF). Naarmate het aantal mislukte bevruchtingen toeneemt neemt de kans dat bevruchting ook bij daaropvolgende IVF pogingen niet lukt, toe. Ook deze paren bereiken veel betere resultaten bij ICSI.

De volgende drie indicaties zijn iets meer arbitrair, maar ook bij de volgende indicaties kan ICSI uitstekende resultaten opleveren:

3. Paren met bij herhaling bevruchting van minder dan 5 % van alle verkregen eicellen. Dit wil zeggen dat uit ten minste twintig eicellen slechts een embryo verkregen is. Deze paren kregen in de VUB ook ICSI aangeboden

 4. Paren waarvan de man voor IVF marginaal semen heeft, en waarbij geen bevruchting in de eerste poging optreedt. Vaak is het semen wisselend van kwaliteit, en schommelt het aantal rond de ondergrens. IVF wordt dan wel eens geprobeerd, maar het paar wordt medegedeeld dat de kans op bevruchting kleiner dan gemiddeld is.

 5. Bij herhaling optredende polyploïdie. op deze wijze wordt immers slechts één zaadcel geïnjecteerd. Overigens kan polyploïdie ook afkomstig zijn van de oöcyt, zodat met ICSI niet gegarandeerd kan worden dat slechts twee pro-nucleï ontstaan. In ieder geval kan men 18 20 uur na de procedure het aantal pro-nucleï tellen.

 Daarnaast is ICSI ook toegepast bij uitblijven van bevruchting 24 uur na IVF. Er zijn echter aanwijzingen dat in dit laatste geval de kans op afwijkingen vergroot is, zodat deze indicatie nog ter discussie staat

Hoeveel kans op zwangerschap heb ik?
De ervaringen uit het buitenland geven aan dat de kansen bij ICSI zeker niet slechter hoeven te zijn dan bij IVF. Dit geldt bij hen die vroeger van IVF werden uitgesloten. In Brussel zijn inmiddels grote series verricht, met goede resultaten. De kansen lijken ook afhankelijk te zijn van de selectie van de patiënten die voor ICSI in aanmerking komen. De implantatiecijfers (aantal vruchtzakken op het aantal teruggeplaatste embryo’s) zijn ook in de VUB gelijk aan die bij IVF.

Bij reguliere IVF treedt na bevruchting vrijwel altijd celdeling op. De gepubliceerde gegevens uit Brussel geven het volgende beeld: aangetoond is dat bij ICSI rond de 15 % van alle geïnjecteerde eicellen toch beschadigd raken; bij ongeveer 50 % van alle intacte geïnjecteerde eicellen treedt bevruchting op. Daarna valt nog eens opnieuw 25 % van alle bevruchte eicellen af omdat deze zich niet doordelen. Vervolgens waren de cijfers per teruggeplaatst embryo gelijk aan die bij IVF: 18 % vruchtzakken (op de echo) en 14 % doorgaande foetussen (> 12 weken) per 100 teruggeplaatste embryo’s (klinisch en doorgaand implantation rate). Hierbij gelden echter twee kenmerken: Ten eerste is de groep vrouwen bij wie deze embryo’s worden teruggeplaatst een relatief ‘schone’, d.w.z. gunstige groep.

Ten tweede moet men de cijfers ook per verkregen eicel en niet alleen per teruggeplaatst embryo zien. Het is niet zeker of de bij ICSI ‘beschadigde’ eicellen toch al niet voorbestemd waren, en van zichzelf minder kans op innesteling hebben. Een theoretisch risico is de beschadiging van het spoellichaampje waardoor chromosoomschade zou kunnen ontstaan. Tot nog toe zijn er geen aanwijzingen voor een dergelijk effect: mogelijk is dat de natuurlijke selectiemechanismen voor en bij de innesteling blijven functioneren, waadoor een dergelijk embryo zich niet innestelt. Uit de serie vruchtwaterpuncties en vlokkentesten van de VUB blijkt dat het totale percentage chromosoomafwijkingen in dezelfde orde van grootte ligt als in de natuurlijke situatie en bij IVF. Het blijkt dat i.e.g. een deel van de natuurlijke selectiemechanisme bij de innesteling normaal blijven functioneren.

Zie beneden een video van hoe de punctie bij ICSI in zijn werk gaat.

 

Meepraten over ICSI? Bezoek dan ons forum!


Geef een reactie


Deel dit artikel

Lees ook
0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

twee × 2 =